Mijnbouw

VLAAMS CENTRUM VOOR INHEEMSE VOLKEN (VCIV)

FLEMISH CENTRE FOR INDIGENOUS PEOPLES

 

 

 

Mijnbouw en inheemse volken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijnbouw is een van ‘s werelds oudste en belangrijke economische activiteiten. De mijnbouwindustrie wordt gedomineerd door een aantal multinationale ondernemingen die rijker zijn dan heel wat landen waaarin ze opereren. Zij zijn actief in alle delen van de wereld. behalve Antartica – hoewel men ook daar zit te azen om het enige ongerepte natuurgebied in de wereld te ontginnen én dus te vervuilen, en vormen in veel gevallen een bedreiging voor het overleven van inheeemse volken. Grote natuurgebieden vallen ten prooi aan de nieuwe technieken van de open-pit mining : grote oppervlakten worden afgeschraapt. Door de massale omzet blijft de winst voor de maatschappijen gegarandeerd. De kosten van sociale gevolgen,natuurvernietiging en vervuiling worden afgewimpeldDe gebieden waar mijnbouwmaatschappijen actief geweest zijn worden omgevormd tot woestijen van modder en stof.Subtiele waterregulatiesystemen worden soms abruupt verstoord en zorgen voor watertekort of overstromingen. Vervuiling van water is een van de grootste problemen.

 

Die blijft niet beperkt tot de gebieden waar de eigenlijke ontginning plaats vindt. Stof en toxisch afval kunnen honderden kilometers meegevoerd worden en visbestanden in het water, gebruik van water als bad- en drinkwater in ernstige mate beïnvloeden. Het bouwen van wegen die de toegang tot de mijnbouwgebieden moeten vrijwaren berokkenen soms nog meer schade dan de mijnsites zelf.

 

Veel mijnbouwmaatschappijen gebruiken heel wat hout. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat mijnbouw en houtkap twee duivelse broertjes zijn. In de Filippijnen bijvoorbeeld wordt aan iedere maatschappij die een mijnconcessie verkrijgt ook een houtkapvergunning toegestaan om in « hun behoeften » te voldoen.

 

Het constant verder zoeken naar nieuwe mineraalvoorraden en goedkopere manieren om ze te exploiteren geeft prioriteit aan korte termijnbelangen. Deze korte termijnbelangen van onmiddelijke winst gaan voor op belangen van mensenrechten, biodiversiteit en duurzame ontwikkeling. Terwijl mijnbouwmaatschappijen gigantische winsten opbouwen worden inheemse volken bedreigd in het voortbestaan van hun cultuur en in hun fysiek voortbestaan als volk zelf.

 

 

 

 

MIJNBOUW : bedreiging voor inheemse volken

 

De mijnbouw bedreigt de inheemse volken op verschillende terreinen : de meeste staten weigeren nog altijd het recht te erkennen van inheemse volken over hun grondgebied. Integendeel, dikwijls verdienen staten geld aan de uitverkoop van inheemse territoria zonder dat de rechtmatige eigenaars ervan zelfs maar geconsulteerd worden, laat staan er hun akkoord voor geven.

 

Inheemse volken ontbreekt het vaak aan economische of politieke macht om zich te verzetten. Nochtans zijn zij het die de directe benadeelden zijn van een ontwikkeling waaraan ze noch voordeel hebben, of waarvoor ze noch gekozen hebben uit vrije wil. Regeringsleiders en leidende kringen in de zaken-en financiële wereld hechten meer belang aan direct profijt dan aan basisrechten van inheemse volken.

 

De gevolgen voor inheemse volken zijn dan ook meestal catastrofaal.

 

Voorouderlijke gronden en inheemse territoria worden zonder enige vergoeding ingepalmd door regeringen en mijnmaat-schappijen. Als er al iets teruggegeven wordt is er zelden of nooit een redelijke vergoeding van de schade, in zoverre die natuurlijk in geld of andere vormen van voorzieningen (andere gronden,sociale projecten etc... uberhaupt kan vervangen worden.

Mijnbouwactiviteiten kunnen een hele lokale economie verstoren en zelfs vernietigen, snijden watervoorzieningen af, of vervuilen ze. Grote gebieden worden soms ontbost en veranderen in enorme stofvelden, waar de erosie vrij spel heeft. Voor veel inheemse volken is de dieftsal van hun land een vernietiging van hun cultuur. Vele inheemse culturen zijn immers materieel verbonden met het land waarop ze zich manifesteren : de taiga, de toendra en de ijsvlakten voor de Inuit, Lappen en vele noordelijke volken, het tropisch regenwoud voor de Yanomami. Vanaf 1987 was de vloedgolf van goudzoekers niet meer te stopen en trokken tienduizenden garimpeiros het tropisch regenwoud binnen op de grens tussen Venezuela en Brazilië, het woongebied van de Yanomami.

Zakenmensen, politici en het leger wendden hun ogen af toen deze tienduizenden goudzoekers het tropisch regenwoud kapten, de bovengronden vernietigden, de rivieren omlegden en ze vergiftigden met dynamiet en kwik. Het subtiele evenwichtssysteem van het tropisch regenwoud werd vernietigd, de indianen die er woonden raakten hun duurzame manier van leven kwijt. De regio was jarenlang het wilde westen van Brazilië, het geweld van de sterkste heerstte in het regenwoud. Yanomami werden vermoord, vrouwen verkracht, kinderen werden ontvoerd. Het wildbestand dunde uit en was niet meer voldoende om de bijna 10.000 indianen eten te verschaffen. Maar al al bij waren het de ziekten die de blanken mee-brachten die voor het grootste dodenaantal zorgde.

 

De manier van leven van inheemse volken en hun religisoiteit wordt dikwijls direct aangetast door het venietigen van heilige plaatsen (bijv. Mount Apo in de Filippijnen). De effecten op de gezondheid zijn soms erg ingrijpend : vergiftiging, ademnhalingsproblemen en ondervoeding door het gevolg van milmieudegeneratie zijn schering en inslag.

Deze effecten worden zelfs gerappporteerd in Europa en de USA. Ergens anders profiteren mijnmaatschappijen van nog lagere ecologische criteria. In West Papua en Papua Nieuw Guinea bijvoorbeeld zijn er grote bedrijven, waaronder Freeport Mc MoRan die hun afval in rivieren blijven dumpen.

Goud en koper worden gewonnen in de leefgebieden van Papoea-volken AmungMe en Komora (West Papua, Irian Jaya, Indonesië). De Freeport koper- en goudmijn dumpt per dag meer dan 260.000 ton deels giftig afval in de nabi j gelegen Ajkwa-rivier. Daardoor sterft het leven in de rivier, slibt ze over grote afstanden dicht en overstroomt. Zo'n 30 vierkante kilometer regenwoud is hierdoor verwoest en grote stukken droog land zijn veranderd in vervuild moeras. De Papoea's protesteren tegen de aantasting van hun leefgebied. De vervuilde rivier gebruiken zij als drinkwater en voedselbron.

 

In andere gevallen zorgt "de open pit mining" voor enorme hoeveelheden stof die kansen op astma en andere longziekten ernstig doet toenemen. De mijnbouwmaatschappijen sturen soms schadelijke gassen de lucht in. Zo werden in de Filippijnen door de uitlaatgassen van een kopermijn de veestapel en de oogst van de Kankanaey in Mankayan vernietigd. Veel mijnen pompen ook giftig water de omgeving in. Het gebruik van cyanide componenten om het goud van de rotsen te zuiveren, het gebruik van kwikzilver en andere toxische stoffen zorgen soms voor erge catastrofes :in augustus 1995 ont-snapte een lading afval van de Omai Gold Mine in de Essequibo rivier en zorgde voor vele slachtofers onder de indianen.

 

Sommige bedrijven hebben een kwalijke reputatie wanneer het om mensenrechten gaat. Samenwerking met totalitaire of repressieve regimes zijn daarbij niet uitzonderlijk. Zo heeft RTZ - die in Zuid Afrika en Namibi¨Pe opereerde tent ijde van het apartheidsregime -een 12% aandeelhoudersschap in Freeport Indonesia, dochtermaatschappij cvan Freeport Mc MoRan. Freeport heeft een onverkwikkelijke rol gespeeld in de bezetting van West Papua door Indonesië en de r epressie van inheemse volken. Ook de Nederlandse ABN AMRO Bank heeft aandelen in de Freeport mijn in Indonesië.

 

 

Kleinschalige, duurzame mijnbouw .

 

Het zijn niet alleen de multinationals die het bestaan van inheemse volken in gevaar brengen. Kleinere bedrijven kunnen ook schade berokkenen aan het milieu, vergiftiging veroorzaken en inheems eculturen in gevaar brengen.

In Amazonië bijv. hebben goudzoekers vele rivieren met dynamiet omgelegd en vergiftigd. Veel drinkwater en visgronden zijn op die manier verloren gegaan. Het binnendringen van de garimpeiros (goudzoekers) bracht eveneens een spiraal mee van prostitutie en geweld en introduceerde voor de inheemse volken vele onbekende ziekten waartegen ze geen afweer hadden.

 

Daarentegen hebben vele inheemse volken op verschillende plaatsen in de wereld hun eigen vormen van kleinschalige duurzame mijnbouw. In de Filippijnse Cordilera bijv. ontwikkelden de Ibaloi en de Kankanaey gedurende eeuwen kleinschalige vormen van (gezins)mijnbouw die geen schade toe te brengen aan de natuur. Toegang tot de mijn is gebaseerd op gemeenschappelijk bezit.

 

De belangrijkste slachtoffers van de grootschalige mijnbouw zijn de kleinschalige mijnbouwers, boeren en vissers onder de inheemse volkeren en andere plattelandsbewoners. In plaats van de natuurlijke bevoordeligden te zijn van dit programma zijn ze er als eerste het slachtoffer van. De kleinschalige mijnbouw is normaliter in staat om een gezond overleven te waar-borgen. Het garandeert een duurzame en gelijke ontwikkeling voor hele gemeenschappen en biedt levenskansen voor heel wat meer mensen dan de grote mijnmaatschappijen dat kunnen.

 

 

Inheems verzet

 

Overal beginnen inheemse volken zich te verzetten tegen deze landroof en de vernietiging van hun cultuur en leven zelf.

In Australië werden, na jarenlange protesten vanwege inheemsen en hun organsiaties, mijnbouwmaatschappijen verplicht rechstreeks te onderhandelen met de Aboriginals. In Panama werd een halt toegeroepen aan de plannen van RTZ om een grote kopermijn te openen in Cerro Colorado. Op de Filippijnen in Mainit wierpen de Bontok vrouwen barricaden op tegen mijnbouwmaatschappijen en dreven mijnproectors op de vlucht. Vandaag zijn de mijnbouwmaatschappijen terug, maar opnieuwe wordt het protest georganiseerd en werpt vruchten af.