Inheemse Volken in Afrika

VLAAMS CENTRUM VOOR INHEEMSE VOLKEN (VCIV)

FLEMISH CENTRE FOR INDIGENOUS PEOPLES

 

 

Inheemse Volken in Afrika

 

 

Wie zijn de inheemsen in Afrika ?

 

 

Voor sommige mensen, zowel in Afrika als daarbuiten, is het concept “inheemse Afrikanen” verwarrend of contra dictorisch. Bijna heel Afrika erkent de mondelinge traditie dat sommige mensen eerst aanwezig waren in een bepaald gebied en dat later andere groepen aankwamen.In Oost en Zuidelijk Afrika zijn er zelfs generische termen in de Bantu talen voor deze volken zoals Batwa, Barua, Basua, Basarwa die gebruikt worden voor de Pygmeeën, Bosjesmannen en de andere volken. Wanneer deze volken om bescherming vragen als inheemse volken, is het niet de bedoeling om de Afrikaanse identiteit van de dominante culturen in vraag te stellen.

 

Sinds het begin van het V.N. decennium van de inheemse volken (1994-2004) hebben een aantal specifieke Afrikaanse gemeenschappen, zich geidentificieërd met de ervaringen en doelstellingen van de international inheemse beweging Deze groepen erkennen zichzelf als ‘inheems’ in de specifieke technische betekenis van de opkomende internationale definitie van ‘inheems’. Vervolging en marginalisering van inheemse volken in Afrika is een feit. De “inheemse” beweging geeft een naam aan deze ervaring en eist herstel en rechtvaardigheid.

 

Voorbeelden van groepen die een inheemse identiteit claimen zijn :Bosjesmannen, Khoe (Hottentotten) en Griqua van Zuidelijk Afrika. De Bosjesmannen en Khoe volken hebben zich ontwikkeld in Zuidelijk Afrika gedurende meer dan een miljoen jaar. Gedurende de laatste 20.000 jaar is de jagers -verzamelaarscultuur van de Bosjesmannen specifiek en uniek vr Zuidelijk Afrika.Zwarte Bantu sprekende volken zijn het gebied slechts de laatste 2.000 jaar binnengetrokken

 

 

Hadzabe, Ogiek, Ndorobo, Dahalo, en andere jagers –verzamelaars,Maasai, Barabaig,Samburu,Borana,Turkana en andere veehoudende herder is Oost-Afrika

Trekkende veehouderij is een oud economisch cultureel systeem in Oost-Afrika.Tijdens de kolonisatie werden de vee- hoeders als onproductief en oncontroleerbaar beschouwd. Ze werden weggedreven van de goede gronden en gemargi- naliseerd van de politieke en economische systemen in de Oost-Afrikaanse staten. Na de onafhanke-lijkheid werd het koloniale beleid verder gezet waarin de herdersvolken behandeld werden als tweederangs- burgers. De talen, culturen en tradities van herdersvolken zijn niet toegelaten in scholen of in het officiële politieke leven. Jagers – verzamelaars volken zijn nog een veel oudere groep van Oost-Afrikaanse culturen. Ze zijn onzichtbaar in het publieke leven en lijden onder extreme armoede en psychologische problemen omwille van vervreemding van hun land door regeringen en zelfs door herders-volken.

 

Bagyeli, Baaka, Bakole, Bambuti, Batwa “pygmeeën” van Centraal Afrika

 

Doorheen Centraal Afrika zijn er pygmeeën volken. Woud bewonende pygmeeën volken hebben hun jagers en verzamelaar-cultuur gehandhaafd naast de landbouw en veehoudende economieën van de Bantu- sprekende volken

die later de koloniale en postkoloniale staten zouden beheersen. Pygmeeën-volken, als zichtbare minderheden,zijn dikwijls behandeld als minder dan menselijk of als kinderen. Hun culturen en economisch systemen in evenaar wouden worden beschouwd als ‘primitief’ en onbelangrijk voor de nationale economieën.

 

Tuareg en ander Amazigh (Berber) volken van West en Noord Afrika.

 

Gedurende verscheidene eeuwen zijn de Amazigh volken onderworpen geweest aan een harde culturele, religieuze en taalkundige dominantie van de islamitische Arabische cultuur in Noord en West Afrika. Deze ongelijkheid werd versterkt gedurende de Franse kolonisatie. De nomadische volken in de Sahara werden beschouwd als een bedreiging voor de Europese economie en werden gemarginalisserd van de politieke en economische systemen van de Noord en West Afrikaanse staten. Deze systematische discriminatie heeft geleid tot geweld en raciale conflicten in de Centrale Sahara. Fundamentele mensenrechten worden ontzegd door de onderdrukking van de inheemse identiteit en vooroordelen tegen hun gebruiken. Tot vandaag blijven Imazighen onderdrukking van hun burger-en mensenrechten ondergaan, inclusief de onderdrukking van hun taal en het verbod om Amazigh namen te geven aan kinderen en plaatsen.

 

Wat met de andere Afrikanen ?

 

lle Afrikanen moeten volle en gelijke rechten genieten.Er zijn principes in het Ontwerp van de Universele Verklaring van deRechten van Inheemse Volken die nuttig zouden kunnen aangewend worden in Afrika, los van de claims van de inheemse volken. Dit miskent niet het belang van gebruik te maken van het proces in de Verenigde Naties om de systematische discriminatie tegen de identiteit van inheemse volken aan te pakken en hun gebruik van aloude territoria, economische en culturele gebruiken te verdedigen.

 

 

 

 

 

 

Bosjesmannen

 

De “Bosjesmannen”zijn een groep volken die sedert minstens 20.000 jaar op het Afrikaanse continent leven als jagers, verzamelaars.Andere bevolkingsgroepen, in hoofdzaak Bantus sprekende volken die vanaf ongeveer 1500 jaar geleden vanuit West-Afrika aan hun expansie begonnen, palmden geleidelijk aan hun leefgebieden in. Dit gebeurde ook in Zuidelijk Afrika, waar de verschillende Bosjesman Volken de laatste eeuwen geleidelijk in de tang genomen werden door enerzijds de oprukkende Bantus sprekende volken uit het noorden en de Afrikaner sprekende Boeren uit het zuiden. Daardoor verloren de meeste Bosjesman volken hun territoria voor het begin van de 20ste eeuw.

 

De Bosjesmannen aan te noordelijke, oostelijke en zuidelijke rand van de Kalahari,hebben zeker sedert de 19de eeuw een soort van horigen-meester relatie met de adel van de Batswana en de Jgwato. De Batswana noemen het “Basarwa”, wat soms vertaald wordt als slaaf, soms als erfelijk bediende. Niet alleen Bosjesmannen hadden dit statuut, maar ook andere onderworpen bevolkingsgroepen zoals de Bakgalagadi – mensen van de Kgalagadi, de Bayei en de Bapedi. Maar de Bosjesmannen stonden volledig onderaan de hierarchie. In het westen van Botswana tussen de Kalahari en

het Nyae Nyae gebied, begonnen blanke boeren, zowal Afrikaners als Britten, op het einde van de 19de eeuw boer-derijen te stichten op gronden die voordien gebruikt werden door Bosjesman groepen.

 

Dieper in de Kalahari konden de Bosjesmannen hun traditionele levensstijl handhaven als jagers- verzamelaars,wiens economische activiteit sterk afhankelijk was van het seizoen.De jacht op de eland-antilope vormde een absoluut hoog-tepunt in hun leven. De eland was zowel synoniem van overvloed aan voedsel (vlees) als van het vruchtbare seizoen en de daarmee samenhangende grotere sociale interactie tussen de verschillende Bosjesman groepen die in dit seizoen met elkaar wedijverden voor de schaarse voedsel en waterbronnen. Iedere groep heeft een eigen jacht- en verzamel gebied dat concreet afgebakend is door natuurlijke elementen zoals duinen, specifieke bomen, rotsformaties, etc. met natuurlijke waterbronnen als centrum.

 

 

Het Central Kalahari Game Reserve

In 1958 stelde de regering van Botswana een ambtenaar aan om aanbevelingen te doen Deze ambtenaar, George Silber bauer, zorgde in 1961 voor de oprichting van het Central Kalahan Garne Reserve (CKGR). Het was er Siberbauer eigenlijk om te doen een vrijhaven te creëren voor de jagers-verzamelaars van de Kalahari en hun traditionele ecosys- teem.Na de onafhankelijkheid van Botswana in 1966 werden de Bosjesmannen omgedoopt tot Remote Area Dwellers (RAD’s). Hun situatie in het CKGR echter moeilijker omdat ze concurrentie kregen van toeristen die betaalden voor

het schieten van elanden, antilopen en ander groot wild.. Terzelfder tijd probeerden steeds meer Bosjesmannen zelf aan veeteelt te doen om de wildschaarste te compenseren. Hierdoor de druk op het wildbestand toe omdat het vee ging concurreren met de andere graseters. Het stijgend gebruik van water voor grootschalige commerciële landbouw en veeteelt buiten het CKGR veroorzaakte ook in het CKGR een daling van het waterpeil. Daarom dienden de Bosjes-mannen zich min of meer te vestigen rond pompen die in het park geïnstalleerd werden. De regering voorzag ten slotte ook in beperkte vormen van gezondheidszorg en onderwijs in het CKGR.Dit alles leidde tot stijgende druk in de jaren 1970 en 1980 vanuit de hoek van natuurbeschermers om de bewoners van het CKGR uit het park te verwijderen.

 

Voorgenomen verhuis.

 

De regering van Botswana kwam op 15 juli 1986 met een White Paper dat voorzag in de overplaatsing van de neder-zettingen naar plaatsen buiten het CKGR. In de jaren 1988-1990 stelde de regering dat ze het recht had mensen van het CKGR te verwijderen omdat het belangrijk was “dat mensen een primitieve levensstijl verlieten”.

 

First Peoples of the Kalahari

 

In 1993 onder impuls van John Hardbattle Katé, en Roy Sesana, uit het CKGR, werd besloten een eigen organisatie op te richten, de “First Peoples of the Kalahari”,samengesteld uit vertegenwoordigers van de G/wikwe, G/anakwe,Nharo en andere Bosjesman volken. First Peoples of the Kalahari (FPK) identificeert zich als een belangenorganisatie voor

alle Bosjesman volken in Botswana.Ze komt op voor de erkenning van de Bosjesmannen als een apart volk,het veilig stellen van de voorouderlijke territoria,het uitwerken van een Bosjesman landbeheer plan aan de hand van het in kaart brengen van de natuurlijke waterbronnen het respecteren van traditionele Bosjesman waarden (geen lijfstraffen voor kinderen in school, gelijkheid voor vrouwen en mannen in sociale aangelegenheden,...de oprichting van een Nationale Bosjesman Raad. Ze identificeerde zich ook uitdrukkelijk als organisatie van de ‘inheemse volken’ van Botswana en sloot zich aan bij de wereldwijde beweging v inheemse volken door deelname aan allerlei internationale activiteiten.

 

Natuurbehoud en diamantreserve.

Reeds in 1996 merkte John Hardbattle Katé op dat hij ervan overtuigd was dat het de regering van Botswana niet te doen was om de ‘ontwikkeling’van de bewoners van het CKGR of de bescherming van de fauna en flora maar dat hij zich niet van de indruk kon ontdoen dat de werkelijke drijfveren het toeristisch potentieel van het reservaat en de

belangen van de mijnindustrie waren. Hij beschuldigde er De Beers, Falconbridge en andere mijnbouwbedrijven er

van het regeringsbeleid in verband met het CKGR te beïnvloeden.

 

Gedwongen verhuis.

 

In mei - juni 1997 werden meer dan 1100 bewoners van het CKGR met vrachtwagens overgebracht naar twee nieuwe ‘nederzettingen’ buiten het reservaat : New!Xade in het oosten van het Ghanzi district en Kaudwane in het Kwening district. en dus ook geen schaduw, geen brandhout, geen gras, en geen wilde gewassen die consumeerbaar zijn. In plaats van een verhoging van hun levensstandaard ging ze erop achteruit.In november 2001 kondigde Minister Nasha aan dat vanaf 31 januari 2002 alle sociale voorzieningen in het reservaat werden stopgezet. In februari 2002 werden

450 CKGR bewoners op trucks geladen. De waterpomp van Mothomelo werd kapot gemaakt, de watertank uitgegoten,

mensen werden bedreigd dat ze levend in hun huis zouden verbrand worden als ze niet mee gingen,alles wat niet mee kon werd verbrand. De mensen werden terug naar de kampen van New!Xade en Kaudwane gevoerd.

 

Op 19 februari 2002 diende First Peoples of the Kalahari een klacht in tegen de regering van Botswana voor het Hoog-gerechtshof in Lobatse wegens schending van de grondwet door het deporteren van burgers en hen zo te beroven van hun middelen van bestaan.

 

Op 14 december 2006 mogen de bewoners van de Kalahari woestijn terugkeren naar het Kalahari Natuurpark, dit besliste het Hooggerechtshof van Botswana.

 

Botswana wil in feite de Bosjesmannen uit het gebied weghouden om er diamantmijnen te kunnen exploiteren. De regering van Botswana blijft internationaal de diamanten van Botswana aanprijzen als zuivere diamanten, vrij van de smet van mensenrechtenschending.

 

Link :

http://www.survival-international.org/home

http://www.san.org.za/

 

 

 

 

 

Tuareg

 

“Tuareg” is de Arabische aanduiding voor deze nomadische en halfnomadische groepen. Zijzelf gebruiken meestal

de naam van de geografische plaats waar ze vandaan komen, bv. “Kel Aïr” (mensen van Aïr).Ze hanteren ook wel de algemene aanduiding “Kel Tegelmust” (mensen van de sluier). Ook de termen “Imajaghen” (vrijen), en “Illelan” (nobelen) worden gebruikt. Oorspronkelijk duiddeze termen binnen de Tuaregsamenleving (“Temust n Imajaghen)

de klasse van de edelen aan.

 

Recent worden ze ook aangewend om de Tuareg in het algemeen aan te duiden ten aanzien vd buitenwereld. Hierin

zit dan het concept vervat van zich als een nobele te gedragen volgens vrij strikte gedragscodes. Steeds meer wordt gebruik gemaakt van de taal als determinerend criterium. Vooral in Mali hanteert men meer en meer de term “Kel Tamajaq” (mensen van het Tamajaq. Tamajaq is de aanduiding voor de vrouwen en is tevens de taal van de Tuareg. Tamajaq is de meest zuidelijk gesproken berbertaal die ook een eigen schrift heeft, het Tifinagh.

 

Net als in het Arabisch worden enkel de verschillende medeklinkers aangeduid wat leidt tot een andere uitspraak in

de verschillende gebieden. Tifinagh kan zowel van links naar rechts als van rechts naar links worden geschreven . Het wordt veel gebruikt om berichten door te geven (in het zand, op rotsen, etc.) Vooral de vrouwen leren het van moeder op dochter in de kampen. Vroeger gebruikte men het om er poëzie mee te schrijven. De Imajaghen gebruikten het schrift eerder als ontcijferingcode dan als echt geschrift. Momenteel onderneemt men pogingen om het schrift ook

voor het formele onderwijs te gebruiken maar de autoriteiten staan hier argwanend tegenover.

 

De Imajaghen leven in een gebied dat zich uitstrekt over 5 staten: Niger, Mali, Algerije, Libië en Burkina Faso. Volgens hun eigen bronnen zijn ze met ongeveer 3 miljoen:1,5 miljoen in Niger,1 miljoen in Mali, en in Algerije,Libië en Burkina Faso telkens 500.000.

De etnograaf Henri Lhote houdt het echter op een totaal tussen 300.000 en maximaal 500.000. Hij baseert zich hiervoor op extrapolaties van de gegevens van de volkstelling uit 1933-1938. Hierbij gebruikt hij echter een steeds meer voorbij-gestreefde definiëring van de Kel Tamajaq,nl.de Imajaghen als klasse, zij die behoren tot families (stammen, “tawsit”) van edelen. Daarbij sluit hij groepen vazallen, horigen, handwerkers en geassimileerde groepen slaven of bediende.

 

 

Link : http://home.scarlet.be/kwia/tijdschrift/dos51.pdf